EnkeleTOPICS in dit artikel:
- "duiding van gevolgen" en "welke hulp geven deze centra"
MELDINGEN
In de zes centra voor hulpverlening inzake kindermishandeling werden in 1996 in totaal 4584 meldingen van concrete gevallen van mishandeling of verwaarlozing bij minderjarigen genoteerd. Tegenover 1995 steeg het aantal meldingen met 17%. Hierbij waren 6298 minderjarige kinderen betrokken.
In totaal 1923 kinderen, of 30,5% van de gemelde kinderen, werden gesignaleerd voor seksueel misbruik. Bij 74% van deze (vermoedelijk) seksueel misbruikte kinderen geeft de melder al onmiddellijk aan dat de dader tot de familie behoort. Bij de overige 26% van deze kinderen gaat het ofwel om extrafamiliaal misbruik of is de relatie dader-slachtoffer onbekend.
Bij 1868 kinderen, of 29,7% van de gemelde kinderen, signaleerden de melders lichamelijke mishandeling of verwaarlozing. Meldingen van seksueel misbruik namen lichtjes toe
45,6% van de meldingen was afkomstig uit de primaire omgeving van het kind; het betrof vooral meldingen door de moeder (18% van de meldingen), door buren of kennissen (9,2%), door andere gezins- of familieleden (9,7%), door de vader (5,2%) of door het slachtoffer zelf (1,5%).
35% van de meldingen kwam van hulpverleners (17,8% van hulpverleners uit de gezondheidszorg; 11,5% vanuit welzijnsorganisaties) en 16,9% kwam vanuit de school of een voorschoolse voorziening.
DIAGNOSE
De gegevens omtrent de diagnoses die door de centra werden gesteld in de loop van 1996 zijn nog niet beschikbaar. In 1995 werd bij 1370 kinderen de diagnose gesteld van mishandeling of verwaarlozing of een risicosituatie. Kinderen van 3 tot 6 jaar waren oververtegenwoordigd. De diagnose mishandeling of verwaarlozing werd ook vaker gesteld bij meisjes: 63,9% waren meisjes. Het merendeel (93,3%) van de gediagnosticeerde kinderen verbleef in de periode van de mishandeling bij 1 of beide biologische ouders. Kinderen onder de 3 jaar waren daarentegen ondervertegenwoordigd.
De centra stelden bij 21,4% gediagnosticeerde kinderen lichamelijke mishandeling of verwaarlozing vast. De diagnose emotionele mishandeling of verwaarlozing werd bij 21,6% van de kinderen gesteld. 31,6% van de kinderen werd seksueel misbruikt.
DE DADER
Het daderschap lag in hoge mate binnen het gezin waar het kind verbleef. De dader woonde in 67% van de gevallen in het gezin van het kind.
DUIDING VAN GEVOLGEN
In 64,3% van de gevallen konden de centra op het moment van de registratie een aantal gevolgen van de kindermishandeling of -verwaarlozing duiden. Bij 4,4% konden de centra geen gevolgen aangeven op het moment van de registratie. Bij 25,1% waren de gevolgen onduidelijk en bij 6,2% waren de gevolgen onbekend.
WELKE HULP GEVEN DEZE CENTRA
Bij 43% van de gediagnosticeerde kinderen geeft het centrum advies en ondersteuning aan een lid of leden van de betrokken familie en/of andere betrokken niet-hulpverleners. Bij 50,9% wordt advies en ondersteuning verleend aan hulpverleners. Bij 65,8% van de gediagnosticeerde kinderen zorgen de centra voor de coördinatie van de hulpverlening. 51,2% van de kinderen wordt (voor een deel) behandeld door het centrum zelf. Bij het merendeel van de gevallen bestaat de gevolggeving uit verschillende componenten (zie tabel 2.34).
(cijfers afkomstig van Kind en Gezin Vlaanderen 1997)