Welke toekomst voor de plegers van seksueel geweld?
 

In de Belgische gevangen verblijven momenteel 825 mensen die aangeklaagd worden wegens seksueel geweld of ervoor veroordeeld of geïnterneerd zijn. Dat is 11 procent van de totale penitentiaire bevolking. En in de nasleep van de zaak-Dutroux neemt dit cijfer verder toe. De overheid kan dus niet meer rond de vraag naar een gepaste reactie op seksueel geweld. Hoe bescherm je een maatschappij tegen dit soort geweld zodat het terugvallen vermindert en toch geen uitzichtloos lange opsluitingen noodzakelijk zijn?

Straffen is in deze materie beslist op zijn plaats en niet het minst als signaal voor de betrokkene dat hij een maatschappelijk onaanvaardbare daad gesteld heeft. Gedrag dat afwijkt van een algemeen aanvaarde sociale norm moet worden bestraft.
Door de nieuwe wettelijke definitie van ,,verkrachting'' (1989) en andere repressieve maatregelen ten aanzien van seksueel misbruik, worden er meer mensen vervolgd en worden zij tot langere straffen veroordeeld.
Een logisch gevolg is de gestage groei van het aantal opgesloten seksueel geweldplegers in onze reeds overbevolkte gevangenissen. De penitentiaire administratie weet niet wat aan te vangen met deze categorie gedetineerden die overigens geen bijzondere problemen doen rijzen tijdens hun gevangenisverblijf. Soms hebben ze wel extra bescherming nodig wegens de vijandige houding van andere medegedetineerden.
Zo geraakt men in een straatje zonder einde, waarbij steeds meer mensen voor een langere periode opgesloten worden, zonder dat het maatschappelijk doel van de straf bereikt wordt. Want het aantal mensen die na hun vrijlating hervallen, blijft voor zit soort misdrijven onveranderd hoog, ook met de toenemende repressieve aanpak. Zo begint 23 procent van de verkrachters opnieuw na zijn vrijlating, zelfs 35 procent van de homoseksuele pedoseksuelen, 18 procent van de heteroseksuele pedoseksuelen en 9 procent van de plegers van incest.
De ongewone wreedheid van de door de bende-Dutroux gepleegde feiten hebben terecht en begrijpelijk bij iedereen in dit land hevige emotionele reacties van afschuw uitgelokt. Zo is de roep naar meer repressieve maatregelen in de vorm van onsamendrukbare straffen emotioneel te begrijpen, maar als mogelijke oplossing voor het gesteld probleem eigenlijk niet in overweging te nemen. Het betekent inderdaad dat men de uitzichtloze weg verder opgaat van toenemende straffen.

UITZONDERLIJKE criminele gevallen, waar wij nu mee geconfronteerd worden, kunnen niet als voorbeeld dienen om algemene maatregelen uit te werken die dan van toepassing zijn op de ,,gewone'' gevallen van seksueel geweld. Wij kennen genoeg voorbeelden in het buitenland van ,,sexual psychopathy laws'' die in de nasleep van afschuwelijke seksueel gemotiveerde kindermoorden in grote haast goedgekeurd werden, maar die snel niet werkbaar bleken te zijn.
Buitenlandse voorbeelden, voornamelijk in Canada en de VS, leren ons dat er aangepaste maatregelen mogelijk zijn. Enerzijds een noodzakelijke controle door penitentiaire ambtenaren (voldoende maatschappelijke werkers die goed gevormd zijn) na het ontslag uit de gevangenis en anderzijds een aangepaste behandeling of begeleiding (tijdens hun verblijf in de gevangenis en vooral na hun terugkeer in de gemeenschap).
De parlementaire commissie-Dutroux heeft in haar eindverslag open deuren ingestampt door vast te stellen dat in het geval van de moordenaar van de kleine Loubna in Elsene zowel de controle als de behandelingsfunctie gefaald hebben. Wie vertrouwd is met het strafrechtssysteem weet goed genoeg dat sinds jaren in ons land zowel de ene als de andere functie structureel onvoldoende uitgebouwd zijn, rekening houdend met de bestaande noden.
Moeten seksueel geweldplegers dan niet gestraft worden? Jawel, maar ook behandeld. Een gespecialiseerde behandeling of begeleiding van de dader kan het terugvalcijfer significant verlagen. Het schokeffect van de zaak-Dutroux heeft een reeks initiatieven, die door de politieke overheid de jongste drie jaar zijn genomen, in een plotse stroomversnelling gebracht.
In 1994 werden proefprojecten voor de ambulante behandeling van daders gesubsidieerd en de wet van 13 april 1995 van minister Wathelet voorzag onder meer in de verplichting van een gespecialiseerde behandeling van elke pedoseksueel veroordeelde of geïnterneerde na zijn ontslag uit de gevangenis.
Deze op papier merkwaardige wet is nagenoeg dode letter gebleven omdat zij zonder overleg met de gezondheidssector tot stand was gekomen. De wet kon op het terrein niet waargemaakt worden wegens gebrek aan geschoolde therapeuten of gespecialiseerde centra.
Na het uitbreken van de zaak-Dutroux heeft minister De Clerck ernstige initiatieven genomen om deze wet in de praktijk te brengen, zowel binnen als buiten de gevangenissen. Of hij hierin zal slagen, is mede afhankelijk van een gelijklopende noodzakelijke mentaliteitswijziging in de gezondheidssector.
Gerechtelijke psychiatrie en psychologie zijn in België onderontwikkelde en slecht gekende disciplines. Gezondheidswerkers mijden a priori personen die ook met het gerecht in aanraking zijn gekomen. Hun behandeling doet verscheidene ernstige problemen rijzen, zoals de gebrekkige motivatie voor behandeling van de door het gerecht doorverwezen cliënt en het beroepsgeheim van de therapeut tegenover de gerechtelijke instanties.

DE commissie-Dutroux heeft in haar eindverslag dit probleem uitdrukkelijk vermeld. Er bestaat inderdaad een spanningsveld tussen de ,,controle'' die uitgeoefend wordt door penitentiaire ambtenaren en de ,,behandeling'' uitgevoerd door gezondheidswerkers. Sommigen zouden een meldplicht willen opleggen aan de therapeuten. Hierdoor zou de behandelaar verplicht zijn strafbare feiten, gepleegd door zijn cliënt, kenbaar te maken aan de overheid. Dit is een onaanvaardbaar voorstel waarbij misbruik gemaakt wordt van de behandeling voor sociale controle.
Kortom, naar aanleiding van de gebeurtenissen van het voorbije jaar is er binnen de gezondheidssector een beweging tot stand gekomen die een mentaliteitsaanpassing van de beroepsgroep veronderstelt om bij te dragen tot een veiliger samenleving. Dat veronderstelt dat daders, zo weinig mogelijk nieuwe slachtoffers zouden maken.
Prof. Paul COSYNS

(De auteur is hoogleraar psychiatrie aan de Universiteit Antwerpen.)
 

Terug naar KRANTENARTIKELS

Naar hoofdindex (SEKSUEEL MISBRUIK)

Uit  (een zeer interessante database !) Nedstat Basic - Teller